Deze vraag houdt me bezig, heeft de kroeg zoals we die kennen nog een toekomst? Of moeten we afscheid nemen van het fenomeen dat ooit het kloppende hart van buurten, bedrijven en verhalen was? In de grote steden zijn de huren torenhoog geworden. De meterprijzen schieten als raketten de lucht in, en het is bijna niet meer te doen om die kosten door te berekenen in een gewoon glaasje bier. De buurtbewoners kunnen het nauwelijks nog opbrengen. De cafébaas wordt boekhouder, het bierviltje een rekenvel.
Ik denk dan terug aan de hoogtijdagen, destijds net voor de bezuinigingsoperatie die Jan Timmer de grote hervormer bij Philips die de beruchte Centurion operatie uitrolde, barstte Eindhoven van de kroegen die draaiden als een tierelier. Elke afdeling bij Philips had wel een paar keer per jaar een borrel. En er waren heel wat afdelingen. In de Ochtend werd er gewoon gebeld: “Henk, we komen straks met een man of veertig. Zorg jij voor kaas en worst?” En zo geschiedde. Ik mocht de kaas en worsten snijden, glazen ophalen en kijken, ik keek mijn ogen uit, mijn verstand te boven. Ware bacchanalen waren het. Het kader regelde de borrel, en het werkvolk liet zich vollopen met vier glazen bier tegelijk in de hand tot de laatste ronde werd ingezet.
De echte kasteleins in Eindhoven, Strijp zijn bijna uitgestorven. Van die oude garde leeft er naar mijn weten nog maar één: mijn vader Henk van Asperdt die dit jaar nog 91 zal gaan halen, die meer dan 25 jaar lang café De Nachtegaal runde aan de Schootsestraat, recht tegenover Strijp-S. Oorspronkelijk was hij samen met zijn vader fietsenmaker, in de Kreugelstraat, direct tegenover de poort van Strijp-S. Elke dag stroomden daar honderden werknemers op de fiets voorbij. De plek voor de werkplaats was perfect gekozen en dat gold ook voor het café.
Café De Nachtegaal, bevond zich dus op een strategische plek. Al rond elf uur in de ochtend meldden zich de eerste gasten, mannen net uit de ploegendienst en met dorst. Velen zijn daar door hun vrouw ook weer opgehaald, in die tijd kregen werknemers nog wekelijks hun loon in contanten uitbetaald. De vrouwen stonden dan buiten te wachten om de loonbuil veilig te stellen voordat die opging aan bier, jonge klare en Dujardin. Als het dan toch misliep, moest er bij de buren worden meegegeten. Dat kon toen nog gewoon.
De Schootsestraat liep onder het Strijps bultje door en ging over in het Drents Dorp, een buurt die tussen 1925 en 1930 werd gesticht door Antoon Philips voor arbeiders uit Drenthe. Het bestond uit zo’n 123 gezinnen met gemiddeld 9,2 kinderen. Doelbewust werden families met dochters vanaf veertien jaar aangetrokken, deze voor het fijnere werk. Zij kwamen rechtstreeks uit de plaggenhutten terecht in echte huizen. Veel van hun (klein)kinderen wonen er nog steeds. Blokken van zes woningen werden destijds aangeboden voor 75.000 gulden. Vandaag de dag gaan ze per woning voor vier ton als warme broodjes over de toonbank.
Dus ook toen al kwamen mensen van ver voor werk en onderdak, financiële vluchtelingen zeg maar, echter toen welkom. Protestanten uit het noorden die zich mengden met het katholieke zuiden. Het ging soepel. Vriendschappen, huwelijken en families ontstonden. Alles kreeg een Brabants sausje, ook het geloof. Net als de Egyptenaren die ons later geen varkens maar schapen leerden eten en er knoflooksaus overheen gooiden, shoarma als bindmiddel!
En kijk nu eens naar ASML. De groei explodeert, de mensen komen van heinde en ver. De fabrieken worden wijken, appartementen, lofts en andere hippe woonvormen met over geprijsde namen. Op de weilanden vestigen zich fabriekshallen en parkeerkastelen, sommige boeren zijn hierdoor miljonair geworden, de mest ingeruild voor chips en dan bedoel ik geen Lays maar de nieuwe grondstof voor de globale transformatie.
Kan de kroeg opnieuw worden uitgevonden? Ik weet het niet. Maar als we de verbinding willen houden in een wereld die steeds sneller en duurder wordt, dan moet er ergens een plek blijven waar je niet betaalt met je pinpas, maar met je verhaal en ook de waarde van de “mensch” nog herkent in de ontmoeting, in de grap, in de stilte of een schouderklop van iemand waarvan je zijn naam niet weet maar het gezicht nooit vergeet…
Nondeknetter!

