Ik hoef hem niet voor te stellen, hij zit er al, niet zoals de anderen, niet om te blijven hangen of de tijd te doden, maar omdat er iets is dat hem blijft volgen, en hier aan de bar is het er even niet.
Hij komt binnen zoals hij altijd binnenkomt, met schouders die naar beneden hangen alsof hij zichzelf alvast kleiner maakt, nog voordat iemand daar reden toe heeft gegeven, alsof hij zich verontschuldigt voor het feit dat hij er is.
Er zijn van die mensen die zich altijd te veel voelen en je ziet dat niet eens zozeer aan wat ze doen maar aan wat ze inhouden, alsof ze voortdurend proberen zo min mogelijk ruimte in te nemen en zelf toch het gevoel hebben dat ze die al teveel innemen.
Hij maakt geen oogcontact met anderen, alsof kijken al teveel vraagt of misschien teveel prijsgeeft. Soms, heel even, kijkt hij naar mij, kort, niet om iets te vragen maar om te zien of het kan, of hij hier even kan zijn zonder dat ik of iemand hem de maat neemt.
Als hij praat zijn het korte zinnen, soms wat scherp, wat nors uitgesproken, waar anderen zich aan kunnen storen maar ik zie iets anders, want het is niet dat hij wil uithalen, het is dat hij zich met zijn rug tegen de muur voelt staan en dat dat het enige is wat hem nog overeind houdt.
Hij draagt vanalles met zich mee, niet één ding waar hij spijt van heeft maar een hele stapel, voor wat hij heeft gedaan maar misschien nog wel meer voor wat hij heeft laten liggen, voor de teleurstelling waarvan hij denkt dat hij die zijn ouders heeft aangedaan, voor hoe hij is in een groep en hoe dat altijd net schuurt. Soms heb ik het idee dat hij boet voor iets waar hij nooit invloed op heeft gehad; hij voelt zich schuldig aan zijn eigen bestaan.
Hij bestelt zonder op te kijken en ik zet het glas voor hem neer. Op dat moment kijkt hij even op, heel kort, niet om contact te maken maar om nogmaals te checken of er iets van oordeel zit maar dat is er niet.
Soms, als het rustig is en we even één op één praten, gebeurt er iets kleins, bijna ongemerkt, dan lijkt het alsof dat gewicht dat hij met zich meedraagt even losser komt te zitten en hij iets vertelt, vaak terloops, over iets wat goed ging, iets kleins, van vroeger of van laatst, en heel even zie je dat hij niet alleen maar draagt maar zich ook herinnert dat er ook voor hem dingen zijn geweest die goed waren. Dit duurt nooit lang
maar het bestaat.
Ik tap, zet neer, luister als hij iets zegt, Hij drinkt zijn glas leeg zoals hij alles doet, niet gehaast en vooral niet genietend en als hij zijn jas aantrekt lijkt het even alsof hij gewoon vertrekt zoals altijd maar halverwege draait hij zich toch nog om.
„Houdōe”, zegt hij dan, een tikje gemaakt. Ik kijk hem aan, zeg ‘houdōe’, gewoon zoals ik het altijd zeg.
Hij blijft heel even staan, knikt klein, en dan gaat hij. Ik pak zijn glas op, spoel het om en zet het terug tussen de rest alsof er niets is gebeurd.

