Op mijn negende, na een paar jaar op de geijkte blokfluit de klassieke muziek te hebben verkend – met groot plezier overigens, ik vond blokfluitspelen leuk – mocht ik van mijn ouders een ander
instrument kiezen. Ik koos zonder aarzelen voor de viool. We hadden een piano thuis waar mijn vader iedere dag op speelde, maar die kwam niet in me op, de viool moest het zijn. Ik bleek aanleg te hebben en al een jaar later wist ik dat ik ‘het vak’ in wilde. Máár…, grote máár: ik droeg een bril. Ja, en? Ik heb er wakker van gelegen en uiteindelijk maar aan mijn vioollerares gevraagd of dat wel kon, violiste worden met een bril op. Met dit verhaal heeft ze jarenlang gescoord op verjaardagsfeestjes. Maar ik meende het. Ik had al eens gemerkt dat een popperig meisje met blonde vlechtjes wel mocht voorspelen en ik, niet popperig en met brilletje, niet, terwijl ik zeker wist dat ik beter speelde.
Ooit een violiste, pianiste, zangeres of wat dan ook gezien die wat voorstelt met een bril op haar neus? Een met piekhaar en puisjes, scheel en scheef? Ik heb lang gezocht maar haar niet gevonden. Ze zijn allemaal even mooi, glamorous mooi. Onder mannen in dezelfde categorie tref ik wel wat lelijkerds aan, mannen mogen pummelig, piekerig en puisterig zijn en dan trekken ze nóg volle zalen; alsof lelijkheid hun talent benadrukt. In de klassieke cultuur verschijnen mannen in rokkostuum op een podium en vrouwen in een fraai japonnetje. Van een rokkostuum – tegenwoordig vaak vervangen door losse jasjes/blouses – weet je ongeveer hoeveel strekkende meters erin gaan zitten, de japonnetjes worden tegenwoordig van strekkende centimeters stof gemaakt. Het zal al wel duidelijk zijn: ik vind dat laatste niks, het leidt af. En het stoort me als vrouw wanneer mannen met welgevallen naar dat niets onthullende bloot achter de vleugel zitten te kijken.
Flauw Sengers, het oog wil toch ook wat? En klassiek is toch niet alleen voor oude, degelijke mensen? Zeer zeker niet! Maar wat mij dwars zit is dat de behaagdrang het overneemt van de inhoud. En dat de luisteraar steeds minder kan luisteren naar wat ons zonder opsmuk wordt voorgeschoteld en steeds meer uiterlijk vertoon en ‘ruis’ – lees: toeters en bellen, lees: lawaai – nodig heeft om muziek, en klassiek in het bijzonder, te kunnen waarderen. Er wordt met veel herrie en veel bekijks niet méér gezegd. Juist minder.

