Het Catharina Ziekenhuis krijgt ruim één miljoen euro van KWF Kankerbestrijding om een DNA-test in heel Nederland ingevoerd te krijgen. Die test laat vooraf zien welke patiënten met darm- of alvleesklierkanker het chemomiddel irinotecan slecht afbreken, en dus een lagere dosis nodig hebben. Ongeveer de helft van die groep belandt nu nog in het ziekenhuis door de bijwerkingen. Wat in 2017 in Eindhoven begon als kleine studie, wordt daarmee landelijke praktijk.
Irinotecan is jaarlijks onderdeel van de behandeling van zo’n 3.000 Nederlandse patiënten met darm- of alvleesklierkanker. Bij ongeveer één op de tien van hen blijft het middel te lang in het lichaam, door een erfelijke variant in het zogeheten UGT1A1-gen. In het dagelijks leven merk je daar niets van, maar bij chemotherapie is het verschil groot: ernstige diarree en koorts door een sterk onderdrukt afweersysteem. Projectleider is ziekenhuisapotheker en klinisch farmacoloog Maarten Deenen. Het projectbudget bedraagt 1.002.910 euro.
Gemiddelde patiënt bestaat niet
De kern van het probleem is dat vrijwel iedereen dezelfde standaarddosis krijgt, afgestemd op een gemiddelde patiënt. “Aan de buitenkant kun je niet zien of iemand dit medicijn goed verdraagt”, zegt Deenen. “Sommige mensen krijgen daardoor in feite te veel binnen. Die groep kunnen we met deze test vooraf herkennen.”
Dat betekent niet dat iedereen dan maar minder chemo moet krijgen. Bij een lagere dosering neemt normaal gesproken ook de werking af. Bij deze specifieke groep ligt dat anders: omdat hun lichaam het middel trager afbreekt, blijft de blootstelling voldoende hoog. Onderzoek van Deenen en collega’s, gepubliceerd in The Lancet Regional Health – Europe, liet zien dat de behandeling met een aangepaste startdosis niet minder effectief is.
Wattenstaafje in plaats van infuus
De test zelf is nauwelijks belastend. Een laboratorium onderzoekt het DNA uit bloed of speeksel. “Het kan zelfs met een wattenstaafje in de mond”, aldus Deenen. Het Catharina Ziekenhuis heeft een eigen afdeling voor moleculaire diagnostiek, wat helpt om de uitslag snel rond te krijgen voordat de behandeling start.
De opzet begon bescheiden. Met steun van de Catharina Health Foundation, het onderzoeksfonds van het ziekenhuis, zette Deenen in 2017 een studie op met het Erasmus MC, het LUMC en het Haga Ziekenhuis. Die vier ziekenhuizen gebruiken de test inmiddels standaard. Landelijk zijn nu ook hoogleraar en internist-oncoloog Hans Gelderblom (LUMC) en hoogleraar en internist-oncoloog Ron Mathijssen (Erasmus MC) bij het project betrokken.
Twintig ziekenhuizen, vier jaar
De komende vier jaar benaderen de onderzoekers ziekenhuizen waar irinotecan wordt gegeven. Ongeveer twintig doen mee aan een grote evaluatie, waarin wordt gekeken naar bijwerkingen, ziekenhuisopnames, kwaliteit van leven, behandelresultaten en kosten. Het projectdoel is dat 95 procent van de patiënten die voor irinotecan in aanmerking komt de test vooraf krijgt.
De praktische invoering is het lastigste deel, verwacht Deenen. “Elk ziekenhuis heeft eigen afspraken en eigen werkwijzen. Mensen moeten worden geschoold, artsen moeten weten wanneer ze de test moeten aanvragen en laboratoria moeten de test goed kunnen uitvoeren.” Bij de opzet van het project zijn patiëntenverenigingen betrokken.
Meer dan een besparing
Eerder onderzoek liet zien dat de aanpak kosteneffectief is, simpelweg omdat ernstige bijwerkingen minder vaak tot opnames en extra behandelingen leiden. Voor Deenen is dat bijzaak. Een zware opname kan ook het vertrouwen in de behandeling ondermijnen. “Sommige patiënten worden zo ziek dat ze zeggen: dit wil ik nooit meer. Dan wordt het moeilijk om mensen te motiveren om door te gaan.”
Het KWF-geld is onderdeel van een bredere investering van 4,7 miljoen euro in vier biomarkerprojecten, aangekondigd op 21 juli 2026. Naast Eindhoven gaat geld naar Maastro Clinic, het LUMC en het Nederlands Kanker Instituut.

