Met ‘Pabo on the Job’ kunnen onderwijsassistenten voortaan de pabo-opleiding volgen zonder hun baan op te geven. Het initiatief van Fontys en regionale schoolbesturen gaat maandag 2 februari officieel van start in Eindhoven. De vraag is of dit een structurele bijdrage levert aan het lerarentekort, of vooral de druk op bestaand personeel vergroot.
Het principe klinkt aantrekkelijk: onderwijsassistenten, leraarondersteuners en pedagogisch medewerkers kunnen doorgroeien naar een baan als leerkracht, zonder salarisverlies en terwijl ze gewoon blijven werken. Fontys Hogeschool pakt maandag uit met de officiële start van ‘Pabo on the Job’, een deeltijdvariant waarbij de werkplek centraal staat in het leerproces. De eerste groep van ruim 30 studenten uit het regionale onderwijs gaat ermee aan de slag.
Het initiatief past in een bredere trend van ‘werkend leren’ – een begrip dat de afgelopen jaren steeds vaker opduikt als antwoord op personeelstekorten in sectoren waar traditionele opleidingen te weinig instroom genereren. Maar terwijl Fontys en samenwerkingspartners als Atalenta, Partnerschap Opleiden in de School en Stichting Best Onderwijs spreken over “een unieke samenwerking voor de toekomst van het basisonderwijs”, roept het programma ook vragen op.
Structureel probleem, tijdelijke oplossing?
Het lerarentekort in Nederland is nijpend. Volgens de meest recente cijfers kunnen basisscholen landelijk 7.700 voltijdbanen niet invullen – een tekort van ruim 8 procent. In de Eindhovense regio ligt dat percentage waarschijnlijk nog hoger, gezien de druk van de groeiende bevolking en de aantrekkelijkheid van andere sectoren in Brainport.
‘Pabo on the Job’ biedt een uitweg voor mensen die al in het onderwijs werken maar geen volwaardige lesbevoegdheid hebben. Door hen op te leiden tot leerkracht, zonder dat ze hun baan hoeven op te geven, worden twee vliegen in één klap geslagen: scholen houden hun personeel, en er komt (uiteindelijk) een extra bevoegde leerkracht bij.
Maar critici zouden kunnen stellen dat het vooral symptomen bestrijdt. Het programma richt zich niet op het aantrekken van nieuwe mensen naar het onderwijs, maar op het opkwalificeren van bestaande krachten. Dat kan nuttig zijn, maar de vraag is of het de fundamentele uitdaging oplost: te weinig mensen kiezen bewust voor het beroep van leerkracht, en degenen die het proberen haken vaak af tijdens of kort na hun studie.
Werkdruk én studeren
Een ander pijnpunt is de werkdruk. Onderwijsassistenten en OOP’ers (Overig Onderwijspersoneel) vervullen nu al vaak cruciale functies op scholen, juist omdat er te weinig leerkrachten zijn. Door hen naast hun werk ook nog eens een pabo-opleiding te laten volgen, stapelen de verantwoordelijkheden zich op.
Fontys benadrukt dat de werkplek het uitgangspunt van het leren vormt en dat studenten nieuwe kennis direct kunnen toepassen in de praktijk. Dat klinkt mooi, maar in de praktijk betekent het dat deze studenten én werken, én studeren, én stage lopen – allemaal tegelijk. De vraag is of dat haalbaar is zonder overbelasting.
Ook de vraag naar kwaliteit dringt zich op. Reguliere pabo-studenten krijgen vier jaar intensieve opleiding, waarin ze stapsgewijs leren lesgeven onder begeleiding. Bij ‘Pabo on the Job’ staat iemand die nog in opleiding is al voor de klas – weliswaar onder supervisie, maar tegelijkertijd ook als werkende kracht die de school nodig heeft. Dat kan een spanningsveld creëren tussen leren en presteren.
Financiële prikkels
Dan is er nog de financiële kant. Voor scholen is ‘Pabo on the Job’ aantrekkelijk: ze houden hun medewerkers in dienst, hoeven geen nieuw personeel te werven, en hebben iemand die al bekend is met de school en de leerlingen. Voor de student is het ook interessant: geen inkomensverlies en een baan met zekerheid.
Maar die zekerheid heeft ook een keerzijde. Reguliere studenten zijn vrij om tijdens hun opleiding stages te lopen op verschillende scholen, uiteenlopende onderwijsconcepten te ervaren en na hun afstuderen te kiezen waar ze willen werken. ‘Pabo on the Job’-studenten zijn al gebonden aan hun werkgever. Dat beperkt hun horizon en maakt hen afhankelijker van die ene school of schoolbestuur.
Het risico bestaat dat scholen het programma vooral zien als een kostenefficiënte manier om aan personeel te komen: iemand die al werkt, minder hoeft te worden betaald dan een afgestudeerde leerkracht, en bovendien langjarig gebonden is aan de organisatie. De vraag is of dat de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt.
Regionale samenwerking als lichtpuntje
Positief is de samenwerking tussen Fontys en werkveldpartners als Atalenta (een grote onderwijs- en kinderopvangorganisatie in de Brabantse Kempen), Partnerschap Opleiden in de School en Stichting Best Onderwijs. Deze regionale aanpak zorgt ervoor dat het programma is afgestemd op de lokale onderwijspraktijk en dat scholen actief betrokken zijn bij de opleiding.
Deze regionale aanpak kan worden gezien als een verbetering ten opzichte van opleidingen die in een ivoren toren worden ontwikkeld zonder oog voor de dagelijkse realiteit in scholen. Door de werkplek centraal te stellen en praktijk en theorie nauw te verweven, kunnen studenten direct leren van wat er in de klas gebeurt.
Toch blijft de vraag of dit volstaat. Want uiteindelijk is ‘Pabo on the Job’ een reactie op een probleem dat de afgelopen decennia alleen maar groter is geworden. Uit onderzoek naar het lerarentekort komen verschillende oorzaken naar voren: hoge werkdruk, vergrijzing, uitval van startende leraren, en concurrentie van andere sectoren. Zolang die onderliggende factoren niet worden aangepakt, blijft de vraag of initiatieven als deze meer zijn dan tijdelijke oplossingen voor een structureel probleem.
Tijdelijke oplossing of structurele verandering?
De officiële start van ‘Pabo on the Job’ vindt maandag 2 februari plaats op Fontys Campus Rachelsmolen in Eindhoven. Vertegenwoordigers uit het werkveld en van Fontys zullen dan vertellen over de samenwerking en de motivatie van studenten om voor deze route te kiezen.
Het is goed dat er alternatieven worden geboden voor mensen die graag leerkracht willen worden maar niet de traditionele weg kunnen of willen bewandelen. En het is positief dat scholen en opleiders samen optrekken om het onderwijs toekomstbestendig te maken.
Maar de vraag blijft of initiatieven als deze volstaan. Volgens experts zou het beroep van leerkracht structureel aantrekkelijker moeten worden – bijvoorbeeld door lagere werkdruk, betere begeleiding van startende leraren, en meer ontwikkelmogelijkheden. Zonder dergelijke verbeteringen blijven programma’s als ‘Pabo on the Job’ mogelijk vooral tijdelijke oplossingen voor een probleem dat steeds groter wordt.
De vraag is dus niet alleen of ‘Pabo on the Job’ nuttig is – dat kan het zeker zijn. De vraag is vooral of dit soort initiatieven onderdeel zijn van een bredere aanpak, of dat ze in de plaats komen van structurele hervormingen die het onderwijs echt nodig heeft.

